Diagnose
In het begin geeft eierstokkanker geen klachten. Daarom is een diagnose
in de vroege stadia meestal een toevallige vondst. Tot nu toe bestaat
er geen betrouwbare methode om eierstokkanker vroeg op te sporen.
Daarom is de aandoening heel dikwijls al uitgezaaid op het moment
van de diagnose.
Een ovariumcarcinoom kan in het omgevende weefsel groeien en het
vernietigen. Bovendien kan de tumor uitzaaiingen achterlaten die
vooral in de buikholte en de lymfeknopen worden verspreid en daar
nieuwe tumors vormen. Een ovariumcarcinoom tast gewoonlijk het buikvlies
en de ingewanden aan. Kankercellen kunnen via het lymfesysteem en
de bloedstroom nochtans ook naar ver verwijderde lichaamsdelen worden
verspreid.
Als eierstokkanker wordt vermoed, zal de arts de patiënte eerst
in detail naar haar medische voorgeschiedenis vragen. Om de diagnose
duidelijker te maken, wordt daarna een gynaecologisch onderzoek
in combinatie met een echografie van de eierstokken en de buikholte
uitgevoerd. Gewoonlijk wordt ook de tumormerker CA 125 in het bloed
bepaald. Verhoogde waarden van de tumormerker zijn echter geen duidelijk
teken van kanker, omdat ze ook kunnen gestegen zijn bij niet-kwaadaardige
veranderingen. In individuele gevallen worden aanvullende beeldvormingsprocedures
zoals computertomografie (CT) of magnetische resonantiebeeldvorming
(MRI) uitgevoerd om de bevindingen te preciseren. Eierstokkanker
kan echter alleen met absolute zekerheid worden vastgesteld door
een operatie (laparotomie) en het wegnemen van weefselmonsters voor
microscopisch onderzoek (biopsie).
Prognose
Het verloop van de aandoening hangt vooral af van de het stadium waarin ze wordt ontdekt. In het vroege stadium I kan meer dan 80% van de patiënten worden genezen. De kans op herstel in de gevorderde stadia is het grootst als al het zichtbare tumorweefsel met een operatie kan worden verwijderd. In de gevorderde stadia treedt bij veel patiënten een terugval - zogenaamde recurrentie - op, zelfs na een aanvankelijk succesvolle behandeling. De tumor groeit opnieuw en moet opnieuw worden behandeld. Een aanvullende behandeling wordt door verschillende factoren bepaald, bijvoorbeeld door de tijdsspanne sinds de eerste behandeling of door de mate van regressie van de tumor na de eerste behandeling.
Operatie
De eerste stap in de behandeling van een ovariumcarcinoom is een
zo volledig mogelijke heelkundige verwijdering van het tumorweefsel.
Hoe minder overblijvende tumor achterblijft, hoe beter de prognose.
Typische stappen in de operatie zijn verwijdering van de baarmoeder
(hysterectomie), de eierstokken en eileiders (salpingoöforectomie
en adnectomie), de buikvliesplooi (omentectomie) en de lymfeknopen
(lymfadenectomie). Die worden ook onderzocht op tumorcellen. Dat
is cruciaal voor de aanvullende behandeling. Het is niet ongebruikelijk
dat ook delen van de darmen verwijderd moeten worden nadat ze ook
door kanker werden aangetast.
Na een operatie is bijna altijd een behandeling met geneesmiddelen
(chemotherapie) vereist
Chemotherapie
Het doel van chemotherapie is om alle mogelijk overblijvende tumorcellen
in het lichaam uit te roeien. Chemotherapie wordt gedurende een
bepaalde periode, gewoonlijk ongeveer vijf maanden, gegeven. Dat
gebeurt in cycli, d.w.z. in verschillende behandelingsdelen met
daartussen steeds langere herstelperiodes.
Tegenwoordig wordt voor bijna alle patiënten de combinatie
van twee geneesmiddelen, een platinumderivaat (carboplatine) en
een taxaan (paclitaxel), als de standaardchemotherapie na een operatie
(eerstelijns-chemotherapie) beschouwd. Hoewel veel patiënten
tumorvrij zijn na een operatie en chemotherapie, is het gevaar nog
niet geweken, want veel patiënten krijgen een terugval, zogenaamde
recurrentie. Afhankelijk van het tijdstip waarop de terugval optreedt,
zijn nieuwe therapeutische maatregelen zoals een operatie of chemotherapie
noodzakelijk. Welke maatregelen in een individueel geval worden
genomen, hangt af van verschillende factoren. Welke klachten moeten
worden behandeld? Hoe heeft de patiënte de eerste behandeling
verdragen? Hoe reageerde ze erop? Hoe lang was het interval tussen
het einde van de eerste behandeling en de terugval? Zodra die vragen
beantwoord zijn, kan met de patiënten worden besproken of een
nieuwe operatie met nadien chemotherapie of alleen herhaalde chemotherapie
geïndiceerd is. De keuze van de geneesmiddelen wordt ook daardoor
bepaald.
De laatste jaren werden in klinische studies pogingen ondernomen
om de situatie te verbeteren, waardoor na de beëindiging van
de eerste behandeling (operatie en chemotherapie) een groot aantal
patiënten eerst klinisch en volgens de beeldvorming tumorvrij
is. De meesten zullen uiteindelijk echter toch een terugval krijgen.
Een langdurige chemotherapie of een aanvullende behandeling met
meer dan twee verschillende geneesmiddelen werden bijvoorbeeld getest.
Helaas kon voor zover de resultaten beschikbaar zijn geen toename
in doeltreffendheid worden aangetoond.
Nieuwe benaderingen
Vaccinatie na een eerste succesvolle behandeling is een volledig
nieuwe therapeutische benadering om een terugval te voorkomen. Met
het abagovomabvaccin, dat nog in klinische ontwikkeling is, wordt
het immuunsysteem in staat geacht om tumorcellen met het CA 125-gen,
dat typisch is voor eierstokkanker, te herkennen en aan te vallen.
Er bestaat hoop dat via deze weg het immuunsysteem alle overblijvende
individuele tumorcellen zal bestrijden en recurrentie van de aandoening
dus voorkomen kan worden. De eerste gegevens met dit vaccin geven
gerechtvaardigde hoop dat de vaccinatie recurrentie kan uitstellen.
Het juiste ziekenhuis
Het is vooral belangrijk dat patiënten worden behandeld in
een ziekenhuis dat de nodige ervaring heeft in de behandeling van
dit soort kanker. Ervaren artsen kunnen tijdens de operatie beoordelen
welke heelkundige stappen en maatregelen in dat individuele geval
nodig zijn. Een dergelijk ziekenhuis kan bijvoorbeeld worden geïdentificeerd
door het feit of het al dan niet deelneemt aan klinische studies.
.
Gelieve voor meer informatie www.clinicaltrials.gov
te bezoeken. |