Eierstoktumor: achtergrondinformatie over het ovariumcarcinoom


Algemene informatie over de aandoening, diagnose en behandeling van kanker van de eierstokken (ovariumcarcinoom)

Elk jaar krijgen ongeveer 200.000 vrouwen wereldwijd (ongeveer 60.000 in Europa en 20.000 in de VS) een kwaadaardige tumor van de eierstokken of eierstokkanker (medische term: ovariumcarcinoom), de op vijf na meest voorkomende kwaadaardige aandoening bij vrouwen. Ongeveer 75% van de vrouwen overlijden jaarlijks aan hun aandoening. In verhouding tot het aantal patiënten is eierstokkanker dus de meest voorkomende doodsoorzaak door een gynaecologische kanker. Oudere vrouwen worden vaker getroffen dan jongere vrouwen. De gemiddelde leeftijd waarop een vrouw eierstokkanker krijgt, is ongeveer 60 jaar.
De oorzaak van de aandoening is in veruit de meeste gevallen niet bekend. In ongeveer 5 tot 10% van de gevallen is eierstokkanker familiaal en gerelateerd aan genetische veranderingen (mutaties van het zogenoemde BRCA-gen).
Eierstoktumor:
op 5 na meest voorkomende tumor bij vrouw

Nieuwe gevallen per jaar
wereld
200.000
UE
60.000
België ongeveer 880
1e doodsoorzaak van de gynaecologische tumoren
• Late diagnose in 70% van de gevallen
• Heel hoog terugvalpercentage na een aanvankelijke respons op een operatie + chemotherapie
• Resistentie tegen volgende chemotherapie, vooral ondoeltreffend


Diagnose

In het begin geeft eierstokkanker geen klachten. Daarom is een diagnose in de vroege stadia meestal een toevallige vondst. Tot nu toe bestaat er geen betrouwbare methode om eierstokkanker vroeg op te sporen. Daarom is de aandoening heel dikwijls al uitgezaaid op het moment van de diagnose.
Een ovariumcarcinoom kan in het omgevende weefsel groeien en het vernietigen. Bovendien kan de tumor uitzaaiingen achterlaten die vooral in de buikholte en de lymfeknopen worden verspreid en daar nieuwe tumors vormen. Een ovariumcarcinoom tast gewoonlijk het buikvlies en de ingewanden aan. Kankercellen kunnen via het lymfesysteem en de bloedstroom nochtans ook naar ver verwijderde lichaamsdelen worden verspreid.
Als eierstokkanker wordt vermoed, zal de arts de patiënte eerst in detail naar haar medische voorgeschiedenis vragen. Om de diagnose duidelijker te maken, wordt daarna een gynaecologisch onderzoek in combinatie met een echografie van de eierstokken en de buikholte uitgevoerd. Gewoonlijk wordt ook de tumormerker CA 125 in het bloed bepaald. Verhoogde waarden van de tumormerker zijn echter geen duidelijk teken van kanker, omdat ze ook kunnen gestegen zijn bij niet-kwaadaardige veranderingen. In individuele gevallen worden aanvullende beeldvormingsprocedures zoals computertomografie (CT) of magnetische resonantiebeeldvorming (MRI) uitgevoerd om de bevindingen te preciseren. Eierstokkanker kan echter alleen met absolute zekerheid worden vastgesteld door een operatie (laparotomie) en het wegnemen van weefselmonsters voor microscopisch onderzoek (biopsie).

Prognose
Het verloop van de aandoening hangt vooral af van de het stadium waarin ze wordt ontdekt. In het vroege stadium I kan meer dan 80% van de patiënten worden genezen. De kans op herstel in de gevorderde stadia is het grootst als al het zichtbare tumorweefsel met een operatie kan worden verwijderd. In de gevorderde stadia treedt bij veel patiënten een terugval - zogenaamde recurrentie - op, zelfs na een aanvankelijk succesvolle behandeling. De tumor groeit opnieuw en moet opnieuw worden behandeld. Een aanvullende behandeling wordt door verschillende factoren bepaald, bijvoorbeeld door de tijdsspanne sinds de eerste behandeling of door de mate van regressie van de tumor na de eerste behandeling.

Operatie
De eerste stap in de behandeling van een ovariumcarcinoom is een zo volledig mogelijke heelkundige verwijdering van het tumorweefsel. Hoe minder overblijvende tumor achterblijft, hoe beter de prognose. Typische stappen in de operatie zijn verwijdering van de baarmoeder (hysterectomie), de eierstokken en eileiders (salpingoöforectomie en adnectomie), de buikvliesplooi (omentectomie) en de lymfeknopen (lymfadenectomie). Die worden ook onderzocht op tumorcellen. Dat is cruciaal voor de aanvullende behandeling. Het is niet ongebruikelijk dat ook delen van de darmen verwijderd moeten worden nadat ze ook door kanker werden aangetast.
Na een operatie is bijna altijd een behandeling met geneesmiddelen (chemotherapie) vereist

Chemotherapie
Het doel van chemotherapie is om alle mogelijk overblijvende tumorcellen in het lichaam uit te roeien. Chemotherapie wordt gedurende een bepaalde periode, gewoonlijk ongeveer vijf maanden, gegeven. Dat gebeurt in cycli, d.w.z. in verschillende behandelingsdelen met daartussen steeds langere herstelperiodes.
Tegenwoordig wordt voor bijna alle patiënten de combinatie van twee geneesmiddelen, een platinumderivaat (carboplatine) en een taxaan (paclitaxel), als de standaardchemotherapie na een operatie (eerstelijns-chemotherapie) beschouwd. Hoewel veel patiënten tumorvrij zijn na een operatie en chemotherapie, is het gevaar nog niet geweken, want veel patiënten krijgen een terugval, zogenaamde recurrentie. Afhankelijk van het tijdstip waarop de terugval optreedt, zijn nieuwe therapeutische maatregelen zoals een operatie of chemotherapie noodzakelijk. Welke maatregelen in een individueel geval worden genomen, hangt af van verschillende factoren. Welke klachten moeten worden behandeld? Hoe heeft de patiënte de eerste behandeling verdragen? Hoe reageerde ze erop? Hoe lang was het interval tussen het einde van de eerste behandeling en de terugval? Zodra die vragen beantwoord zijn, kan met de patiënten worden besproken of een nieuwe operatie met nadien chemotherapie of alleen herhaalde chemotherapie geïndiceerd is. De keuze van de geneesmiddelen wordt ook daardoor bepaald.
De laatste jaren werden in klinische studies pogingen ondernomen om de situatie te verbeteren, waardoor na de beëindiging van de eerste behandeling (operatie en chemotherapie) een groot aantal patiënten eerst klinisch en volgens de beeldvorming tumorvrij is. De meesten zullen uiteindelijk echter toch een terugval krijgen. Een langdurige chemotherapie of een aanvullende behandeling met meer dan twee verschillende geneesmiddelen werden bijvoorbeeld getest. Helaas kon voor zover de resultaten beschikbaar zijn geen toename in doeltreffendheid worden aangetoond.

Nieuwe benaderingen
Vaccinatie na een eerste succesvolle behandeling is een volledig nieuwe therapeutische benadering om een terugval te voorkomen. Met het abagovomabvaccin, dat nog in klinische ontwikkeling is, wordt het immuunsysteem in staat geacht om tumorcellen met het CA 125-gen, dat typisch is voor eierstokkanker, te herkennen en aan te vallen. Er bestaat hoop dat via deze weg het immuunsysteem alle overblijvende individuele tumorcellen zal bestrijden en recurrentie van de aandoening dus voorkomen kan worden. De eerste gegevens met dit vaccin geven gerechtvaardigde hoop dat de vaccinatie recurrentie kan uitstellen.

Het juiste ziekenhuis
Het is vooral belangrijk dat patiënten worden behandeld in een ziekenhuis dat de nodige ervaring heeft in de behandeling van dit soort kanker. Ervaren artsen kunnen tijdens de operatie beoordelen welke heelkundige stappen en maatregelen in dat individuele geval nodig zijn. Een dergelijk ziekenhuis kan bijvoorbeeld worden geïdentificeerd door het feit of het al dan niet deelneemt aan klinische studies.
.

Gelieve voor meer informatie www.clinicaltrials.gov te bezoeken.